Computer

Oorspronkelijk werd het Engelse woord computer gebruikt om iemand mee aan te duiden die gecompliceerde berekeningen uitvoerde, met of zonder mechanische hulpmiddelen

Charles Babbage, een wiskundige, was erg geïnteresseerd in de astronomie. Een grote kwelling voor een astronoom was echter het feit dat in iedere tabel onvermijdelijk fouten zaten. Babbage vroeg zich af of de tabellen niet machinaal gegenereerd konden worden. Hiervoor bedacht hij in 1822 de differentiemachine: een concept voor een machine die tabellen van veeltermen kon uitschrijven. Babbage begon aan de bouw van de machine, maar het bouwen ervan viel niet mee. De machine werkte mechanisch en de tandwieltechniek was nog niet geavanceerd genoeg om tot een goed resultaat te komen. Verder veranderde Babbage steeds het ontwerp van de machine. Aldus kwam hij in 1833 met de "analytische machine". Deze machine zou met invoer vanaf ponskaarten wiskundige bewerkingen kunnen uitvoeren. Deze machine wordt algemeen gezien als het concept van de computer.

Ponskaarten 'IBM-formaat' uit 1928.

Aldus kwam hij in 1833 met de "analytische machine". Deze machine zou met invoer vanaf ponskaarten wiskundige bewerkingen kunnen uitvoeren. Deze machine wordt algemeen gezien als het concept van de computer. Eind 19e eeuw construeerde Herman Hollerith telmachines die werkten op basis van invoer met ponskaarten. Aan de telmachines werden sorteermachines verbonden, eenvoudige bewerkingen op bestanden met grote hoeveelheden gegevens werden zo mogelijk gemaakt.

De geboorte van de eerste computers.

De eerste werkende computer, de Z3, werd in 1941 door Conrad Zuse gebouwd. De Z3 bestond uit 2000 relais, maar de Duitsers zagen er het belang niet van in. in 1941 werd de Mark 1 werd ontwikkeld op de Harvard universiteit in samenwerking met IBM, het was een enorme met behulp van ponskaarten programmeerbare rekenmachine. De machine woog 5 ton, was 16 meter lang en 2,5 m hoog. De Mark 1 kon getallen van 23 cijfers in 0.3 seconden bij elkaar optellen en aftrekken, en in 6 seconden met elkaar vermenigvuldigen.

Aangenomen wordt dat het eerste computervirus dat in wereld werd uitgebracht een opstartsectorvirus was, dat in 1986 werd gemaakt door de broers Farooq Alvi. Het was ontworpen om hun onderzoekswerk te beschermen.

in 1946 gaf de Amerikaanse marine op dracht voor de bouw van ENIAC. Deze machine werd tot 1955 gebruikt door het Amerikaanse leger. Hij kon binnen één seconde vijfduizend optelsommen en driehonderd vermenigvuldigingen verwerken. Er zaten 18.000 electronenbuizen in, en hij produceerde daardoor zeer veel warmte, en daardoor was de storingsgevoeligheid groot. Deze computer was 2,5 meter hoog en 24 meter lang! En heel lastig te bedienen: je programmeerde het apparaat door kabeltjes op een stekkerbord te steken.

Marlyn Wescoff [links] en Ruth Lichterman waren twee van de vrouwelijke programmeurs van ENIAC.

De transistor.

Met de uitvinding van de transistor in 1948 kwam de ontwikkeling van de computer in een revolutionaire fase. Een transistor heeft de functie van een schakelaar, er zijn namelijk twee 'standen', aan of uit. Zo kunnen gegevens worden opgeslagen en bewerkt door een aantal transistors aan of uit te zetten. Een transistor dient ook als versterker; als een aantal transistors worden samengevoegd ontstaat een circuit dat een ingevoerde elektrische stroom kan versterken. Er was veel minder energie, ruimte en geld nodig voor een machine, en de betrouwbaarheid nam enorm toe door het gebruik van de veel minder kwetsbare transistor. Vanaf 1956 begonnen transistors de lampen te vervangen in de computers. Computers werden veel krachtiger en begonnen steeds meer terrein te winnen, dit worden de tweede generatie computers genoemd.

De eerste echte computer.

In 1953 kwam John Neumann als eerste op het idee om ook het programma, waarmee de computer werkte, in het geheugen op te slaan. Dat was de basis voor de UNIVAC.

De Remington Rand Univac was de eerste commerciële computer die in de Verenigde Staten werd geproduceerd.

De UNIVAC was de eerste commerciële in serie vervaardigde computer. Het belangrijkste opslagmedium was in die tijd de ponskaart. Von Neumann had in 1949 het logisch ontwerp van de EDVAC gemaakt, waar voor het eerst het stored program-principe naar voren kwam: het programma wordt daarbij opgeslagen in hetzelfde geheugen als de data. Ook werden conditionele sprongen in het programma mogelijk. Er werd in deze tijd nog geprogrammeerd in machinetaal, dat wordt de eerste generatie programmeertaal genoemd. Maar er werd ook al gebruik gemaakt van assembler, de tweede generatie programmeertaal.

de eerste chip.

De eerste geïntegreerde schakelingen kwamen in 1959 op de markt. De CHIP of IC, dat is de afkorting van Integrated Circuit.

AGC computerchip .

Een chip is een dun laagje silicium waarop een complete elektronische schakeling is geïntegreerd. Wat eerst uit losse componenten bestond werd nu op een stukje silicium ondergebracht. De computers waarin chips werden toegepast werden derde generatie computers genoemd, dat was in het midden van de jaren 60. De massaproduktie van de chip echt op gang na 1962.

De eerste programmeertalen.

Vanaf het einde van de jaren 50 zorgden de nieuwe ontwikkelingen voor een behoefte aan modernere programmeertalen. Men noemde dit de "hogere programmeertalen", in feiten was het de derde generatie programmeertalen De instructies werden in machinetaal omgezet met een zogenaamde compiler. Doordat het programmeren nu veel makkelijkeraan te leren was werd de verkoop van computers een succes. Enkele voorbeelden van deze hogere programmeertalen zijn FORTRAN, COBOL, BASIC en PASCAl. Inmiddels bestaan er duizenden programmeertalen. Vaak worden opmaaktalen of documentbeschrijvingstalen ook programmeertalen genoemd, omdat de scheidslijn niet erg scherp te trekken is. Een opmaaktaal is een tekstmarkeertaal waarbij de aanwijzingen instructies zijn voor de opmaak tijdens weergave van de tekst. Voorbeelden hiervan zijn HTML en XML.

Voorbeeld van een opmaaktaal.

De wetenschap die tegelijk met de ontwikkeling van de computer is ontstaan, is de informatica.

Nog meer vernieuwingen.

In 1962 de eerste magnetische harddisk van IBM.
Het eerste computerspelletje werd ontwikkeld door Steve Russell.
De eerste werkende muis in 1964 werdt door Douglas Engelbart gedemonstreerd.
De eerste mini-computers met scherm en toetsenbord verschenen in 1965 op de markt.
In 1969 werden voor het eerst door het Amerikaanse leger 4 computers met elkaar verbonden (ARPANET.)
De diskette en het diskettestation zagen 1979 het licht.

De eerste coomputermuis.

De eerste mini-computers met scherm en toetsenbord verschenen in 1965 op de markt.
In 1969 werden voor het eerst door het Amerikaanse leger 4 computers met elkaar verbonden (ARPANET.)
De diskette en het diskettestation zagen in 1979 het licht.

De eerste microprocessoren.

In 1971 werd de eerste microprocessor door Intel geïntroduceerd: de 4004-processor; een 4 bit microprocessor. Een microprocessor combineert de functies van vele gewone IC's samen, de hele processor is op één chip ondergebracht. Daarvoor waren er een heel stel chips, die samen het werk deden. Het eerste emailtje werd in 1977 over een netwerk verstuurd.

De eerste microprossor, de intel 4004.

De microproseccor was het startsein voor kleiner computers en vooral goedkoper. Dit type werd de vierde generatie computers genoemd. Bovendien werd het nu mogelijk computers te maken die voor alle soorten toepassingen nuttig waren, terwijl voordien een computer steeds gebouwd werd voor een bepaald doel. De microprocessoren werden ook gebruikt in televisietoestellen, hifi-aparatuur, magnetrons, enz. Massa fabrikage en de vele toepassingen zorgden voor een snel ontwikkeling maar vooral voor goedkoper microprocessoren. In 1976 kwam de Apple 1 voor maar 666 dollar op de mark.

De jaren 1980 - 1990.

IBM kwam in 1981 met de eerste microcomputers (met de 8088-processor) op de markt.

De eerste 'home'computer.

Intel bracht in 1980 de 80268 processor op de markt. De PC's uit deze tijd hebben meestal ongeveer 1 Mb RAM geheugen en een harddisk van 10 - 40 Mb. In 1982 kwam de Commodore 64 op de markt. De behuizing bestond uit een dik toetsenbord, waarbij het computergedeelte zich onder de toetsen bevond. De Commodore 64 werd aangesloten op een televisietoestel dat als monitor voor beeld en geluid diende. Zijn populariteit heef de Commodore 64 vooral te danken aan uitstekende gameprestaties De 3½ inch floppy was door Sonny ontwikkeld in 1982 In 1988 werd de 3½ inch beter verkocht dan de 5¼-inch en verdween de 5¼-inch geleidelijk In 1984 introduceerden Philips en Sony de CD-ROM. De 80386 processorn van Intel kwam in 19861; dat was een 32-bit processor. In 1989 werd de 80486 processor uitgebracht. Er kwamen ook veel goedkope klonen van deze processor op de markt.

In 1985 kwamen de eerste virussen.

De ontwikkelingen in 1990 - 2000.

Vanaf het begin van de jaren 1980 zag de vierde generatie programmeertalen het levenslicht: de zogenaamde niet-procedurele programmeertalen. In 1992 werd het WWW (World Wide Web) in gebruik genomen. In 1993 kwam het computerspelletje DOOM op de markt. Dit was het begin van de ontzettend populaire 3D-spelletjes. De Pentium-processor kwam in 1994 op de markt. Windows95 een nieuwe besturingssysteem verscheen in 1995 en Windows 98 zeg het licht in 1998 De Pentium III verscheen in 1999. Linux, een gratis besturingssysteem, begon aan een opmars.

Van 2000 tot heden.

De processoren van AMD wonnen na 2000 steeds meer terrein. Maar in november 2002 kwam Intel met een 3 GHz versie van de Pentium 4 , en was toen weer sneller dan de AMD Athlon XP. Er werd eind 2001 een nieuwe versie van Windows uitgebracht, namelijk Windows XP. In 2004 begon de USB-stick aan zijn opmars. In de stick zit flashgeheugen, dat voor de opslag zorgt. Doordat hij klein is, een grote opslagcapaciteit heeft, betrouwbaar is, en niet duur, heeft de USB-stick de diskette grotendeels vervangen. In 2005 werd de Pentium-D geïntroduceerd. Dat waren eigenlijk twee Prescotts, die aan elkaar waren geplakt, en zo was de eerste Dual Core processor op de markt. De Blu-ray volgde de dvd op en heeft inmiddels een opslag capaciteit van meer dan 150 GB op één schijf. Inmiddels is er een ontwikkeling gaande om programma's vanuit de cloud te runnen en de data op te slaan in de cloud.

De cloud.

De term is afkomstig uit de schematechnieken uit de informatica, waar een groot, decentraal netwerk (zoals het internet) met behulp van een wolk wordt aangeduid. Eigenlijk is cloudcomputing een stap terug in de tijd men werkt nl. met mainframes (server) en terminals (clients.)
De servers bieden verschillende niveaus van virtualisatie voor hun diensten. Deze zijn beschikbaar via het internet op elke computer die de clientsoftware (meestal een webbrowser) heeft.
De client is de computerhardware en/of -software van de gebruiker die verbinding maakt met de server en de gebruiker in staat stelt gebruik te maken van de dienstverlening (de software op de server).

Commentaar.

Er is 1 aanvulling geweest voor dit artikel.

  1. H.J. van Rooten September 2015

    Wij maken gebruik van bronnen, foto's, video's enz. van het internet, maar ook uit boeken en encyclopedieën. Het kan dat onbedoeld copyright gebruikt wordt, waarschuw ons zodat we dit direkt kunnen aanpassen.

Uw commentaar.

Uw e-mail adres zal niet worden getoond.