Hoewel de taal van de aan de kust wonende Yupik nauw verwant is aan die van de Inuit, beschouwen ze zichzelf als een apart volk.

De Yupik voelen zich verwant met de Yuit van Lawrence Island in de Beringzee en van de Siberische kust. De koude oorlog was een probleem maar ook in die tijd waren 'vriendschapsbezoeken' over en weer mogelijk. Veel Yupik blijven geisoleert wonen.

Tiahuanaco
Bewoners van een Yupik-dorp op Nelson Island in 1980.

De vijf Yupiktalen worden nog vrij algemeen gesproken; meer dan 75% van de Yupikbevolking beheerst de eigen taal.

Geschiedenis.

Antropologen geloven dat de gemeenschappelijke voorouders van de Eskimo en Aleut (evenals van verschillende Paleo-Siberische groepen) hun oorsprong hebben in Oost-Siberië en ongeveer 10.000 jaar geleden in het Beringzeegebied arriveerden.
Onderzoek naar bloedgroepen, bevestigd door latere taalkundige en DNA-bevindingen, wijzen erop dat de voorouders van andere inheemse volkeren van Amerika Noord-Amerika bereikten vóór de voorouders van de Eskimo en Aleut.
Er lijken verschillende migratiegolven te zijn geweest van Siberië naar Amerika via de Bering-landbrug, die tussen 20.000 en 8.000 jaar geleden tijdens perioden van ijstijd bloot kwam te liggen. Ongeveer 3000 jaar geleden hadden de voorouders van de Yupik zich gevestigd langs de kustgebieden van wat westelijk Alaska zou worden. Rond 1400 na Christus bereikte de migraties langs de kustrivieren - met name de Yukon en Kuskokwim - zijn verste punt. Paimiut op de Yukon en Crow Village op de Kuskokwim.
De Siberische Yupiken zijn mogelijk een remigratie vanuit Alaska terug naar Siberië.

Tiahuanaco
De kaart met de verschillende volkeren in Alaska en Canada.

Leefwijze.

De traditionele economische activiteit van de Yupik was de jacht op zeezoogdieren, vooral zeehonden, walrussen en, tot de tweede helft van de 19e eeuw, walvissen. De handel met de Russen ontwikkelde zich aan het einde van de 19e eeuw. De Yupik handelde ook met naburige rendierfokkers en anderen. Sommige ondernemende Yupik specialiseerden zich in handel en gebruikten hun economisch voordeel om dorpshoofden te worden, met functies als het openen en sluiten van het jachtseizoen, het helpen bemiddelen bij ruzies en het bepalen van de tijden voor handelsreizen. Jachtmethoden omvatten harpoeneren vanaf de kust of boten, het spietsen van dieren in landdrives en, later, het gebruik van geweren. Jagen op pelsdieren, vissen en het verzamelen van plantaardig voedsel waren ondersteunende activiteiten. Kajaks (eenpersoonsboten met gesloten huid), Baidarka's (open boten met platte bodem) en walvisboten zorgden voor vervoer langs de kust; op het land werden hondenteams en sleeën ingezet.

Volgens de volkstelling van de Verenigde Staten in 2001 was het aantal Yupik in het land meer dan 24.000.

Geloof.

Een deel van de Yukip is Russisch-Orthodox en een deel is sjamanisme. Vanaf het midden van de 18e eeuw gingen rond de 500 Russische kolonisten en avonturiers naar Alaska waar zij rijk wilden worden in de bonthandel, de zogenaamde ‘fur rush’ (niet de verwarren met de Californische fur rush): de kustwateren van Alaska waren namelijk bijzonder rijk aan zeeotters, zeeleeuwen en zeehonden. Zij stuitten daarbij op eeuwenoude culturen van jagers, gestempeld door het sjamanisme, een verschijnsel dat de kolonisten kenden vanuit Siberië. De pelsjagers namen van huis het Russisch-Orthodoxe geloof mee (juister: de gedachten van de Oudgelovigen), maar namen anderzijds veel lokale gebruiken van de inheemsen over die hen maar al te bekend voorkwamen. In feite hadden de kolonisten het ‘dubbel-geloof’ ook wel genoemd tweeledig geloof of dualiteit, geïmporteerd dat naadloos aansloot op het sjamanisme van de autochtonen.

Ze zijn cultureel verwant aan de Chukchi en de Inuit.

Het contact met de kolonisten pakte in eerste instantie rampzalig voor de inheemsen uit. De bestaande populatie werd gedecimeerd omdat ze niet bestand was tegen de ziekten die de kolonisten meebrachten. Daarnaast werden de autochtonen door de kolonisten uitgebuit. Priesters waren er niet. Dopen bijvoorbeeld werd gedaan door leken. De leider van de handelspost op het eiland Kodiak vroegen aan het einde van de 18e eeuw de tsaar om een priester, maar kreeg in plaats daarvan een zendingspost met tien monniken, afkomstig uit Sint Petersburg en Finland. Deze monniken ontdekten dat al veel van de bewoners gedoopt waren en gaven hen daarna formeel de myronzalving . Ook speelden de monniken een grote rol bij de verbetering van de positie van de inheemsen die door de kolonisten uitgebuit en als slaven behandeld werden.

Tiahuanaco
Spirit Houses op de begraafplaats van Eklutna.

Spirit houses.

Vóór de komst van de kolonisten uit Siberië cremeerden de inheemsen hun doden. Hun as werd in een mand gedeponeerd en aan de oever van een rivier geplaatst als voorbereiding van de reis van de ziel naar het hiernamaals, waarna de as werd begraven. Zoals Karel de Grote in 785 een verbod uitvaardigde op de heidense lijkverbranding, verbood de Orthodoxe kerk in Alaska het verbranden van de doden en moesten deze voortaan begraven worden. Om toch tegemoet te komen aan de sjamanistische traditie bedachten de autochtonen de zogenaamde ‘spirit houses’, een traditie die tot op de dag van vandaag stand houdt. Als iemand begraven wordt, legt de familie stenen en dekens over het pas gedolven graf om de ziel van de overledene warm te houden. De reis naar het hiernamaals werd gedacht 40 dagen te duren. Hierna werd en wordt een fel gekleurd ‘spirit house’ over het graf geplaatst onder meer om te zorgen dat de ziel niet kan ontsnappen om vervolgens bij de nabestaanden te gaan spoken. Na de plaatsing van het ‘spirit house’ wordt het graf niet meer onderhouden vanwege de gedachte dat alles moet terugkeren naar de natuur waaruit het afkomstig is.