Phobos.

Phobos werd ontdekt door Asaph Hall, op 18 augustus 1877.

Toen de Amerikaanse astronoom Asaph Hall in augustus 1877 twee kleine objecten ontdekte in een baan om de planeet Mars. Noemde hij het ene object Deimos (schrik) en het tweede Phobos (vrees). Beide namen waren afkomstig uit de Griekse mythologie.

De omloopbaan van Phobos is cirkelvormig, en bevinden zich direct boven de evenaar van Mars. Phobos is het grootste maantje en heeft een doorsnede van 20 kilometer. Dit object beweegt zich op 9 378 kilometer van het centrum van Mars voort en dit is de enige maan in ons zonnestelsel die rond haar moederplaneet cirkelt in minder tijd dan dat de planeet nodig heeft om rond zijn as te draaien. Phobos heeft een lengte van 28 kilometer en zijn oppervlak wordt gekenmerkt door tientallen inslagkraters van meteorieten waarvan de Stickney krater de grootste is en heel het uiterlijk van deze maan domineert.

Amazone rivier
De baan van de maan Phobos om mars.

Phobos bevindt zich zeer dicht bij de "rand van Roche" die ervoor zorgt dat de maan uit elkaar spat of neerstort op Mars wanneer deze te dicht bij de moederplaneet komt door de aantrekkingskracht. Deze maan verplaatst zich naar Mars toe in een spiraalbaan en versnelt telkens hij zijn moederplaneet nadert. Vroeg of laat zal Phobos zich niet meer kunnen verzetten tegen de aantrekkingskracht en zal deze maan de atmosfeer van Mars binnenduiken waarna Phobos uit elkaar zal spatten of zal inslaan op Mars.

Vanwaar dit maantje afkomstig is, is nog steeds heel onduidelijk. Volgens sommige wetenschappers zou het gaan om meteoriet die is opgevangen door de aantrekkingskracht van Mars en volgens andere is het een aparte hemellichamen die zich net als Mars zou hebben gevormd in dezelfde periode. Dankzij de Amerikaanse Viking ruimtesondes hebben geleerden kunnen achterhalen dat het maantje een zeer klein soortelijk gewicht hebben. Door zijn donkere kleur zouden het een meteoriet kunnen zijn van het type 'C' die zich meestal in de buitenste regiones van de planetoïden gordel bevinden. Jammer genoeg klopt de theorie van de opgevangen hemellichamen niet altijd omdat deze zich dan niet in een cirkelvormige baan om de evenaar van Mars bevinden maar eerder in een baan met een bepaalde hoek. Andere theorieën over het ontstaan van dit twee maantje en zijn broertje Deimos zouden ook niet altijd correct zijn omdat zij, indien ze uit hetzelfde materiaal en dezelfde periode als hun moederplaneet zouden ontstaan zijn, teveel verschillen in samenstelling met hun moederplaneet. Phobos vertoont de meeste kraters van de twee maantjes maar omdat er zich op Deimos ook veel inslagkraters bevinden, gaan wetenschappers ervan uit dat ze ongeveer even oud zijn.

Amazone rivier
Foto: NASA, de Stikney krater op Phobos.

De grote krater Stikney op de maan Phobos heeft een doorsnede van 10 kilometer en rondom deze gigantische inslagkrater bevinden zich nog eens twee kraters die elk een doorsnede hebben van 5 kilometer. Opvallend is dat er zich geulen bevinden rond de Stikney krater die in alle richtingen uitlopen en samenkomen aan de andere kant van de maan. In de buurt van de grote krater hebben deze geulen een doorsnede van 700 meter en zijn ze op bepaalde plaatsen 90 meter diep. Hoe verder men zich van de Stikney krater af bevindt, hoe kleiner de afmetingen worden van deze geulen. Men vermoedt dat deze zouden zijn ontstaan door de botsing met een object dat de inslagkrater Stikney veroorzaakte. Indien de geulen later zouden zijn ontstaan, zou men minder inslagkraters moeten zien in deze geulen dan in de Stikney krater zelf maar dit is dus niet het geval.

Phobos.
Baankarakteristieken.
Natuurkundige kenmerken.
Atmosfeerkarakteristieken.